Artillerie

     A R T I L L E R I E - HISTORIEK
 
  ArtillerieDe Oorsprong:
De rijdende artillerie ontstond onder Frederik de Grote.

Deze wilde dat een gedeelte van zijn artillerie in staat zou zijn de cavalerie te volgen. De destijds bestaande artillerie was daarvoor te zwaar en bovendien grotendeels te voet. Daarom richte hij in 1759 een Korps lichte artillerie op dat hij 'Reitende Artillerie' noemde. Dit korps moest niet alleen snel kunnen stelling nemen, maar vooral zich snel kunnen verplaatsen.

Bij deze eenheden 'Reitende Artillerie' reden alle kanonniers te paard achter hun kanon in plaats van plaats te nemen op de kanonnen en de munitiewagens zoals dit het geval was bij de gewone of bereden artillerie.

De acrobatische manier waarop deze ruiters zich met de ganse batterij in galop verplaatsen en de snelheid waarmee ze konden ontplooien, dwong bewondering af en bezorgde hen al snel de bijnaam 'vliegende kanonniers'.

De franse benaming voor 'Reitende Artillerie' luidt 'Artillerie à Cheval' wat in België tot aan de 2de wereldoorlog verkeerd werd vertaald in 'Artillerie te Paard'.Lanciers
Ontstaan:
De eerste 'Belgische' batterij rijdende artillerie, onder bevel van de 'Belgische' kapitein Krahmer de Bichin, ondergaat haar vuurdoop te Waterloo op 18 juni 1815. Zij wordt geciteerd voor haar opgemerkt optreden tegen de keizerlijke garde van Napoleon.

Onder het Nederlandse bewind maken er 4 'Belgische' officieren, 17 'Belgische' onderofficieren, 171 'Belgische' beroepssoldaten en 125 'Belgische' miliciens deel uit van het Nederlandse Korps Rijdende Artillerie. In oktober 1830 wordt aan alle 'Belgen' in Nederlandse dienst de mogelijkheid geboden ontslag te krijgen. In het Korps Rijdende Artillerie werd van dit aanbod gebruik gemaakt door 3 onderofficieren, 107 beroepssoldaten en 125 miliciens.

Het voorlopig bewind vormt in 1830 tien veldartilleriecompagnies die deelnemen aan de 10-daagse veldtocht (1831).

Een eerste Rijdende Batterij wordt opgericht op 24 juli 1832, een tweede op 6 mei 1833, een derde op 20 november 1833 en een vierde in 1836. Deze vier batterijen maken deel uit van 1A. Bij de reorganisatie in 1873 gaan deze batterijen over naar 2A (18e en 19e batterij) en naar 4A (38ste en 39ste batterij).

De eerste Wereldoorlog:

Twee groepen rijdende artillerie (de Eerste Groep en de Tweede Groep) worden opgericht in 1910.
Bij KB Nr 144 van maart 1910 werden de groepen rijdende artillerie respectievelijk getransfereerd van 2A en 4A naar de 2de en de 1ste Cavaleriedivisie.
Bij KB Nr 216 van 25 juni 1910 kregen zij hun nieuwe benamingen. In de 1ste Cavaleriedivisie bestaat de 1ste Groep Artillerie te Paard uit de 1ste en 2de Batterij te paard. In de 2de Cavaleriedivisie bestaat de 2de Groep Artillerie te Paard uit de 3de en 4de Batterij te Paard. De Eerste Groep Artillerie te Paard is dan gekazerneerd te Leuven. Artillerie
Tijdens de oorlog zelf onderscheidt deze Eerste Groep zich :
- bij de slag der zilveren helmen te Halen op 12 augustus 1914
- tijdens het beleg en de tegenaanvallen rond Antwerpen
- tijdens de slag van de IJzer waar hij o.a. een belangrijke rol speelt in de verdediging van Stuyvekenskerke
- tijdens de herovering van het sleutelterrein rond Reigersvliet op 6 maart 1918
- bij het innemen van Maldegem tijdens het slotoffensief, wat naast een vermelding op de Standaard ook de toekenning van de Leopoldsorde meebrengt.

De Tweede Groep Artillerie te Paard is gekazerneerd te Mechelen. In 1913 wordt de 2de Cavaleriedivisie, waartoe de Tweede Groep behoorde, afgeschaft. De 2de Groep blijft als Rijdende Groep bestaan, maar gaat over naar 6A en zal de oorlog ingaan als IV/6A. Op 12 oktober 1914 wordt de 2de Cavaleriedivisie heropgericht en IV/6A wordt onder zijn oorspronkelijke benaming 'Tweede Groep Artillerie te Paard' aan deze divisie toegewezen.
Artillerie
De Tweede Groep verdient tijdens de oorlog vermeldingen voor :
- zijn deelname aan het beleg en de tegenaanvallen rond Antwerpen
- zijn efficiënte steun in het bruggenhoofd van Nieuwpoort
- zijn voorbeeldige houding tijdens de stellingenoorlog die de vermelding 'IJzer' opleverde
- zijn rol tijdens het slotoffensief met de successen te Passchendaele en een stoutmoedige actie tot op enkele honderden meters van de vijand bij Rumbeke.

Het interbellum:
De rijdende artillerie neemt deel aan de bezetting van het Rijnland tot op 15 oktober 1923 een Regiment rijdende artillerie wordt opgericht. Hierin worden alle groepen rijdende artillerie gehergroepeerd. Het Regiment maakt deel uit van de 'Lichte Divisie' en vanaf 1930 van het Cavaleriecorps. Het neemt zijn intrek in de Sint-Maartenskazerne te Leuven (twee groepen) en te Namen (één groep). In 1936 wordt de rijdende artillerie gemotoriseerd en wordt het Regiment herdoopt in 'Artillerie Regiment van het Cavaleriecorps' (RACC). Nochtans blijft, spijts het verdwijnen van onze paarden, de geest van de 'Vliegende Kanonniers' onaangetast bestaan. Tijdens de mobilisatie van 1939 ontspruiten uit dit Artillerieregiment drie onafhankelijke regimenten ; het zijn 17A, 18A en 19A.